Translate

dinsdag 1 mei 2012

Roep alleen Allah aan

Roep alleen Allah aan















Beste broeders en zusters, de doden ondervinden slechts baat bij de daden die zij tijdens hun leven tot uitvoer hebben gebracht. Daarnaast kunnen sommige daden van anderen die levend zijn iets betekenen voor iemand die reeds is overleden, zoals vermeld staat in diverse overleveringen. Dan moet je bijvoorbeeld denken aan zaken zoals Doecaa’ (smeekgebed), Sadaqah (liefdadigheid), Hadj en cOmrah, oftewel de kleine en grote bedevaart en dergelijke zaken. Zo lezen wij dat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd:


“Als de mens sterft, houden zijn verrichtingen op, behalve drie; een doorlopende liefdadigheid, kennis waar anderen profijt van hebben of een oprechte zoon (of dochter) die voor hem smeekbede verricht.”
(Overgeleverd door Moeslim)

Buiten de zaken die genoemd zijn in de Koran en de Soennah, is er niets wat de dode enig voordeel kan opleveren als wij het hebben over de daden van een levende persoon. Dus buiten de in de Koran en Soennah genoemde zaken, kan een levende persoon niets ondernemen om zijn overleden familielid te baten.

Wat betreft een levende persoon, deze kan niets wijzer worden van zijn bezoek aan het graf van een dode, behalve dat hij de beloning voor dit bezoek opstrijkt en krijgt, dat hij een aanbevelingswaardige daad heeft verricht en dat hij zich laat vermanen door de toestand van de doden om hem heen, en niet zoals wordt verteld door een aantal onzinverkondigers dat de persoon hulp kan worden verleend door de doden. Het zijn ondermeer dit soort fabels die onze gemeenschap zo achtergesteld en kansloos houden.















Degene die om hulp wordt gevraagd is Allah. De doden daarentegen daar wordt voor gebeden en er wordt niets van gevraagd. Het bewijs hiervoor is gelegen in het gedrag van de metgezellen die de Profeet (vrede zij met hem) tijdens zijn leven benaderden om een smeekgebed voor hen te verrichten waarin hij Allah vraagt om hen in genade aan te nemen. Maar na zijn dood zien wij dat geen van deze metgezellen naar het graf van de Profeet (vrede zij met hem) is geweest met het verzoek om vergeving voor hen te vragen. Even de zwakke en de fabriceerde overleveringen buiten beschouwing gelaten, als wij dus alleen uitgaan van de correcte overleveringen, dan zien wij geen van de metgezellen dit doen.

Daarom toen de moslims ten tijde van cOmar met droogte kampten, omdat het regenseizoen tegenviel, zochten zij niet hun toevlucht en troost bij het graf van de Profeet (vrede zij met hem). Zij riepen niet de Profeet (vrede zij met hem) aan, maar zij gingen op zoek naar een levend iemand en zij vonden al-cAbbaas, de oom van de Profeet (vrede zij met hem) die door cOmar werd voorgedragen zeggende: “O Allah, wij plachten in het verleden onze smeekbede aan U middels de Profeet (vrede zij met hem) voor te leggen. Vandaag doen wij dit middels de oom van de Profeet (vrede zij met hem), en wij vragen U om ons met regen te zegenen.” Zou het toegestaan zijn geweest, zoals sommigen beweren, om de Profeet (vrede zij met hem) ook na zijn dood voor smeekbedes te benaderen, waarom zou cOmar dit dan laten en in plaats daarvan kiezen voor de nog in leven verkerende oom van de Profeet (vrede zij met hem) al-cAbbaas? En de zojuist genoemde overlevering is te vinden in Sahieh al-Boekhaarie. Waarin ook vermeld staat dat cAa’ishah op een dag haar beklag deed bij de Profeet (vrede zij met hem) over hoofdpijn. Waarna de Profeet (vrede zij met hem) tegen haar zei: “Als jij komt te overlijden terwijl ik nog leef, dan zal ik vergeving voor je vragen en smeekbedes voor je verrichten.”















Uit deze overlevering is duidelijk op te maken dat het vragen van vergeving door de Profeet (vrede zij met hem) alleen tijdens zijn leven kan geschieden. Zou dit ook mogelijk zijn na zijn dood, dan zou het niet uitmaken of cAa’ishah eerder of later dan de Profeet (vrede zij met hem) zou overlijden, want hij zou dan altijd vergeving voor haar kunnen vragen.

Beste mensen, dat iemand naar het graf komt van een Profeet (vrede zij met hem) of een rechtgeschapen persoon en hem om iets vraagt waar alleen Allah over gaat, zoals het genezen van een ziekte, het schenken van proviand, het krijgen van kinderen. Dit wordt gerekend tot de grote vorm van veelgodendom (Shirk) die de persoon buiten het geloof plaatst. Als de persoon die zich hier aan schuldig maakt, zegt: “Ik vraag hem omdat hij dichter bij Allah staat dan ik! En door dit te doen wens ik dat deze rechtschapen dode persoon voor mij zal bemiddelen op de Dag des Oordeels.” Een excuus dat vaak door dit soort mensen wordt aangevoerd. En ook voegen zij daaraan toe dat de ervaring leert dat je niet zomaar bij een belangrijke iemand naar binnen kan gaan, zoals een koning bijvoorbeeld. Je zult eerst iemand van zijn hofhouding moeten inschakelen die voor jou gaat lopen bemiddelen, zodat je alsnog bij hem binnen kan komen en je zaak aan hem kan voorleggen.

Als antwoord hierop zouden wij moeten zeggen dat deze argumenten eerder zijn gebruikt door de veelgodenaanbidders in de tijd van de Profeet (vrede zij met hem), zij zeiden namelijk:

“Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons zo dicht mogelijk tot Allah brengen.”
(Soerat az-Zoemar: 3)















Hierop antwoordde Allah:
 
“Nemen zij buiten Allah bemiddelaars? Zeg: ,,Ook al hebben zij geen enkele macht en kunnen zij niet nadenken?” Zeg: ,,Aan Allah behoort alle voorspraak, aan Hem behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde, en tot hem zullen jullie terugkeren.”

(Soerat az-Zoemar: 43-44)

Hiermee laat Allah duidelijk zien dat het zich wenden tot Hem geen bemiddelaars behoeft en dat Zijn deuren te allen tijde wijd open staan om de smeekbeden van Zijn dienaar in ontvangst te nemen. Daarom zegt Hij:

“En wanneer Mijn dienaren jou (O Mohammed) vragen over Mij: Voorwaar! Ik ben nabij, Ik verhoor de smeekbede van de smekende wanneer hij tot Mij smeekt. Laten zij aan Mij gehoor geven en in mij geloven opdat zij de juiste weg zullen bewandelen.”
(Soerat al-Baqarah: 186)
 

En dus tegen eenieder die een ander aanroept dan zijn Heer, moet er gezegd worden: “Als jij bij het aanroepen van Hussein, Zeyneb, cAbdoelqaadir of een ander het idee hebt dat hij of zij veel meer voor je kan betekenen dan Allah, dan is dit een duidelijk voorbeeld van ongeloof. Zeg je daarentegen nee, ik ben ervan overtuigd dat Allah de beste is die hiervoor benaderd kan worden, dan werpt zich een andere vraag op: namelijk: “Waarom richt je dan je smeekbede tot een ander dan Allah?” terwijl je toegeeft dat Allah de beste is.”

“En dat die ene persoon die jij aanroept in plaats van Allah of als bemiddelaar laat optreden bij Allah dichter bij Allah zal staan dan jij en hoger in aanzien is. Dit betekent slechts dat hij aanspraak maakt op meer beloning dan jij op de Dag des Oordeels. En het is zeer zeker geen vrijbrief voor jou om hem voor je behoeften te benaderen. Voeg daaraan toe dat indien jij het verdient om gestraft te worden, dan zal geen van deze profeten en rechtschapen mensen zijn handen aan jou willen branden. Want zij willen geen onderdeel zijn van iets wat de Woede van Allah kan wekken. Ben je juist iemand die in aanmerking komt voor berouw en vergeving, dan dien je gelijk en rechtstreeks bij je Heer aan te kloppen zonder allerlei omwegen die tot niets leiden.”













Wat wel toegestaan is, is het benaderen van een rechtschapen iemand die nog in leven verkeert en hem vragen om een smeekgebed te verrichten ten voordele van jou, zoals ook de metgezellen de Profeet (vrede zij met hem) plachten te benaderen met het verzoek om Doecaa’ voor ze te verrichten. Maar dit geldt alleen voor iemand die nog leeft. Komt die ene Profeet of rechtschapen persoon te overlijden, dan kunnen wij geen beroep meer doen op zijn Doecaa’. Zo zien wij dat geen van de metgezellen de Profeet (vrede zij met hem) na zijn dood nog langer benaderde voor een smeekgebed. Ook deed niemand van at-Tabicien (volgelingen) dit en geen van de grote moslimgeleerden heeft hiervoor toestemming verleend. Als deze vrome voorgangers het graf van de Profeet (vrede zij met hem) bezochten, dan beperkten zij zich tot het uitbrengen van de Islamitische groet.

Spijtig genoeg zien wij dat veel moslims tegenwoordig zich niets aantrekken van de handelwijze van deze vrome voorgangers, en de graven van de profeten en de rechtschapen mensen omtoveren in gebedsplaatsen waar gebeden, gesmeekt en Koran wordt gereciteerd. Terwijl de Profeet (vrede zij met hem) te kennen geeft in Sahih Moeslim: “Waarlijk, degenen voor jullie plachten de graven tot gebedplaatsen te nemen, waag het dus niet om de graven tot moskeen te nemen, want ik verbied jullie dit.”

Ook valt ons op uit de overleveringen van de Profeet (vrede zij met hem) dat hij steeds de nadruk legde op het aanroepen van Allah. Hij droeg geen van zijn metgezellen op om hem daarin te betrekken en als tussenpersoon te laten fungeren. Hij wilde koste wat het kost dat zij direct het woord richtten tot Allah en tot niemand anders. En daarom zien wij dat de Profeet (vrede zij met hem) bij het uitbrengen van advies aan cAbdoellah Ibnoe cAbbaas, tegen hem zei: “O jongeman, ik zal je een aantal woorden leren. Waak over (de voorschriften van) Allah en Hij zal over jou waken. Waak over (de voorschriften van) Allah en je zult Hem voor jou treffen. Als je vraagt, vraag dan aan Allah en als je hulp zoekt, zoek deze dan bij Allah…”
















Dus na het horen van deze woorden is het niemand meer toegestaan om zich van Allah af te wenden en een ander aan te roepen. Gedenk dan ook dat alles in de Handen van Allah ligt en de rest bezit niet eens het vlies dat zich rondom de pit van een dadel bevindt, zoals Allah Zelf in de Koran te kennen geeft. Hij zegt:

“Dat is Allah, jullie Heer, aan Hem behoort het Koninkrijk en zij, die jullie buiten Hem aanroepen, zijn niet eens in het bezit van het vlies dat zich rondom een dadelpit bevindt.”
(Soerat Faatir: 13)

Neem daarnaast altijd het volgende vers in acht waarin Allah ons verplicht om Hem voor al onze zaken te benaderen. Hij zegt namelijk:

“En jullie Heer zegt: ,,Aanbidt Mij; Ik zal jullie smeekbede verhoren. Maar zij die te hoogmoedig zijn om Mij te aanbidden, zullen vernederend de hel binnengaan.”
(Soerat Ghaafir: 60)

Dit vers dient als bewijs voor het gegeven dat Doecaa’ - oftewel het verrichten van een smeekbede – een daad van aanbidding is en dat degene die zich wat dit betreft hoogmoedig opstelt in een vernederende staat de hel zal binnengaan, laat staan degene die een ander aanroept dan Allah.

Ik vraag Allah om ons allen te doen behoren tot zijn rechtschapen dienaren die geen andere aanroepen dan Allah, tot geen andere bidden dan Allah, aan geen andere offeren dan Allah en al hun daden van aanbidding met zuivere toewijding richten tot Allah.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Laat een reactie achter ...