Translate

donderdag 31 mei 2012

Een brief aan mijn zondigende broeder

Een brief aan mijn zondigende broeder















In de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle

Mijn zondigende broeder,

Je zit tot aan je oren in de zonden. Je bent de speelbal van de shaytaan geworden en je drijft de spot met jouw Schepper. Met jouw daden stel je alleen de shaytaan tevreden en verwijder je jezelf van de Barmhartige. Verward breng je de tijd door, terwijl je jezelf steeds afvraagt: “Wat is het ware Pad naar geluk?”

Het advies van Taawoes bin Kissaan al-Yamanie

Het advies van Taawoes bin Kissaan al-Yamanie















Er werd verhaald dat ‘de leider van de gelovigen’ (Amier ul-Moe'minien) Hichaam bin cAbdul-Malik arriveerde in het Heilige Huis van Allah als een pelgrim. Toen hij eenmaal in al-Haram (de moskee in Mekka, met daarin de welbekende Kacbah) was, gaf hij het bevel om een man van de Sahaabah (de metgezellen van de Profeet -vrede zij met hem) bij hem te laten komen. Er werd hem echter verteld dat alle Sahaabah reeds gestorven waren. Hierop zei hij: “Eén van de Tabicien (de leerlingen van de Sahaabah) dan.” De Tabici Taawoes al-Yamaanie werd toen bij hem gebracht. Hij  kwam bij ‘de leider van de gelovigen’ binnen, deed zijn schoenen uit en legde die aan de zijkant van zijn vloerkleed. Taawoes groette niet met de benaming ‘Amier ul-Moe-eminien’, noch sprak hij hem aan met zijn edele roepnaam, maar ging tegenover hem zitten zonder daarvoor toestemming voor te hebben gekregen en zei: “Hoe is het met jou, O Hichaam?” Hichaam bin cAbdul-Malik werd zeer woedend op Taawoes, zo erg zelfs dat hij eraan dacht hem te doden. Er werd hem echter verteld dat hij zich in al-Haram bevond en het dus voor hem onmogelijk was om iemand te vermoorden.

woensdag 30 mei 2012

Advies van een jongeman

Advies van een jongeman




















Er was ooit een vrome gelovige jongeman die veelvuldig bezig was met het verrichten van daden van aanbidding. Het gebeurde eens dat een jongedame hem zag en stapelverliefd op hem werd. Op een dag stapte ze naar hem en zei: “Hé jongeman, ik zou je graag willen spreken.” Maar hij negeerde haar.

Elke dag als zij hem tegenkwam zou zij hem aanspreken en zeggen: “Hé jongeman, ik zou je graag willen spreken.” Maar telkens weer negeerde hij haar. Tot op een dag dat hij besloot om naar haar te luisteren. Ze zei: “Elke cel in mijn lichaam verlangt naar jou. De relatie tussen ons zou zijn gelijke niet kennen.”